Zakelijk Professioneel (PROF) - B2

Voor wie?

Voor hoger opgeleiden die hun taalvaardigheid in het Nederlands zullen moeten bewijzen op de werkvloer in Vlaanderen, Nederland of in een buitenlands bedrijf waar (een deel van) het werk in het Nederlands gebeurt. Het is vooral geschikt voor mensen die werkzaam zijn in de zorgsector of een administratief beroep uitoefenen. Gezien de aard van het examen raden wij Zakelijk Professioneel aan voor volwassenen (18+).

Hoe wordt er getoetst?

Toetst vaardigheden geïntegreerd: luisteren in combinatie met schrijven, lezen in combinatie met schrijven, lezen in combinatie met spreken en gesprekken voeren.

Uw certificaat

Een Certificaat Nederlands als Vreemde Taal schept kansen:

  • een plus op uw cv;
  • bewijs van de vereiste taalkennis bij een aanstelling in het Vlaamse onderwijs (niet dezelfde vereisten voor elk personeelslid);
  • vrijstelling voor het luik ‘Nederlands’ van het Nederlandse inburgeringsexamen.
Meer info

Wat is de inhoud van het examen?

De kandidaten die dit examen succesvol afleggen, kunnen het Nederlands zowel formeel als informeel gebruiken in een professionele context. De kandidaten wordt gevraagd om taken te vervullen die in het professionele leven kunnen voorkomen, vooral in de zorgsector en in administratieve functies. De context voor de taken kan daarom variëren van een woon-zorgcentrum of ziekenhuis tot een klantendienst, onthaal of inkoopafdeling van een bedrijf. Er is geen vakspecifieke (bijvoorbeeld boekhoudkundige) voorkennis of woordenschat vereist. De vaardigheid om met professionele (luister)teksten met onbekende woorden om te gaan (bijvoorbeeld door het gebruik van een woordenboek) is wel een vereiste.

Lezen

Dit moet u kunnen:

  • globaal begrijpen van wat complexere teksten;
  • informatie, argumenten, standpunten en conclusies in wat complexere teksten tot in detail begrijpen;
  • specifieke informatie, argumenten, standpunten, conclusies en vragen of instructies selecteren in wat complexere tekst;
  • informatie, argumenten, standpunten en conclusies uit wat complexere teksten vergelijken.

Algemeen: Kan in hoge mate zelfstandig lezen, past zijn of haar leesstijl en -snelheid aan verschillende teksten en doeleinden aan, en maakt selectief gebruik van toepasselijke naslagwerken. Leesteksten kunnen al wat langer en complexer zijn. Beschikt over een grote actieve leeswoordenschat, maar kan enige moeite hebben met weinig voorkomende idiomatische uitdrukkingen.

De input

Thema en context
  • bronnen binnen een professionele context over uiteenlopende onderwerpen
  • correspondentie met betrekking tot werkomgeving
  • (nieuws)berichten, informatieve en betogende reportages of artikelen of verslagen over uiteenlopende onderwerpen en hedendaagse problemen
  • complexe aanwijzingen binnen een professionele context
  • semi-authentiek
  • naslagwerken
Lengte en indeling
  • een of meerdere pagina’s lang met een duidelijke structuur
  • langere passages, van elkaar gescheiden door tussenkopjes (zoals een duidelijke syllabus of een lang krantenartikel)
  • nauwelijks visueel ondersteund
Structuur en samenhang
  • occasioneel impliciet aangeboden informatie en impliciet aangeboden betekenisrelaties
  • duidelijk gestructureerd
  • naar vorm en inhoud redelijk complex
  • impliciete structurering mogelijk
Woordenschat en taalvariëteit
  • ook minder frequente woorden, formuleringen
  • af en toe vakspecifieke woordenschat
  • toenemende mate van variatie (lexicon, intonatie, prosodie en uitspraak)
Grammatica
  • complexe samengestelde zinnen
Naar boven

Luisteren

Dit moet u kunnen:

  • globaal begrijpen van wat complexere teksten;
  • informatie, argumenten, standpunten en conclusies in wat complexere teksten tot in detail begrijpen;
  • specifieke informatie, argumenten, standpunten, conclusies en vragen of instructies selecteren in wat complexere tekst;
  • informatie, argumenten, standpunten en conclusies uit wat complexere teksten vergelijken.

Algemeen: Kan een uitgebreide, naar inhoud en vorm complexe gesproken tekst volgen en de hoofdgedachte begrijpen, als de tekst in een normaal tempo en in natuurlijk gearticuleerde standaardtaal wordt uitgesproken. Luisterteksten kunnen al wat langer en complexer zijn, mits ze helder gestructureerd zijn. Alleen extreem achtergrondgeluid, onvoldoende structuur en/of idiomatisch taalgebruik ondermijnen het begrip van het gesprokene.

De input

Thema en context
  • concrete en abstracte onderwerpen binnen (en buiten) het eigen vakgebied, vertrouwde en niet-vertrouwde onderwerpen
  • uitgebreide betogen en complexe redeneringen over professionele context
  • professionele informatieve en betogende presentaties, lezingen, berichten ...
  • levendig gesprek tussen moedertaalsprekers
  • semi-authentiek (of authentiek in een vertrouwde formele of informele context)
Tempo en articulatie luisterteksten
  • normaal spreektempo uitgesproken in de standaardtaal
  • natuurlijke articulatie
Structuur, samenhang en lengte
  • occasioneel impliciet aangeboden informatie en impliciet aangeboden betekenisrelaties
  • relatief lang, duidelijk gestructureerd
  • naar vorm en inhoud redelijk complex
  • impliciete structurering mogelijk
Woordenschat en taalvariëteit
  • ook minder frequente woorden, formuleringen
  • af en toe vakspecifieke woordenschat
  • toenemende mate van variatie (lexicon, intonatie, prosodie en uitspraak)
Grammatica
  • complexe samengestelde zinnen
Naar boven

Schrijven

Dit moet u kunnen:

  • relevante informatie, argumenten, standpunten, conclusies en vragen of instructies weergeven (op basis van de input);
  • informatie, argumenten, standpunten, conclusies en vragen of instructies zelf formuleren of beargumenteerd reageren op input;
  • een helder en herkenbaar argumentatieschema hanteren of structuur aanbrengen in informatie en ervaringen;
  • informatie, argumenten, standpunten en conclusies bij elkaar brengen en vergelijken (bijv. voor- en nadelen van verschillende opties bespreken).

Algemeen: Kan heldere, gedetailleerde teksten schrijven waarin informatie en argumenten (mogelijk uit verschillende bronnen) worden bijeengevoegd en beoordeeld. Kan heldere, begrijpelijke, doorlopende tekst produceren die voldoet aan standaardconventies (lay-out, spelling, structuur ...).

De output

    • De lexicale variatie is groot genoeg om frequente letterlijke herhalingen te voorkomen. Lexicale hiaten en fouten komen hier en daar voor, maar verhinderen de begrijpelijkheid van de tekst niet. Af en toe wordt er een synoniem gekozen dat minder goed past binnen de context.
    • Uitingen bevatten zowel eenvoudige als meer complexe grammaticale constructies en zinspatronen. Vaak voorkomende complexe constructies zijn meestal foutloos. Slechts zelden komt er een duidelijk aanwijsbare fout voor.
    • Structurerende elementen worden doorgaans correct gebruikt en ondersteunen de coherentie van de prestatie. Af en toe wordt er echter een structurerend element verkeerd gebruikt, vergeten (waardoor de prestatie inhoudelijke sprongen kan vertonen) of overgebruikt. Verwijswoorden worden meestal op de juiste wijze gebruikt.
    • Het leestekengebruik voldoet aan de standaardconventies. Spelling en interpunctie zijn vrijwel correct en bevatten slechts hier en daar nog kleine fouten.
Naar boven

Spreken

Dit moet u kunnen:

  • relevante informatie, argumenten, standpunten, conclusies en vragen of instructies weergeven (op basis van de input);
  • informatie, argumenten, standpunten, conclusies en vragen of instructies zelf formuleren of beargumenteerd reageren op input;
  • een helder en herkenbaar argumentatieschema hanteren of structuur aanbrengen in informatie en ervaringen;
  • informatie, argumenten, standpunten en conclusies bij elkaar brengen en vergelijken (bijv. voor- en nadelen van verschillende opties bespreken).

Algemeen: Kan duidelijke, stelselmatig ontwikkelde beschrijvingen en presentaties geven, met de juiste nadruk op belangrijke punten en ter zake doende ondersteunende details. Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling en langer durende betrekkingen met moedertaalsprekers mogelijk zijn zonder dat dit een van de partijen belast. Kan de taal nauwkeurig en doeltreffend gebruiken en kiest daarbij een mate van formaliteit die in de omstandigheden (informele of formele context) gepast is.

De output

  • De kandidaat neemt een actieve houding aan en kan de prestatie beginnen, gaande houden en beëindigen. De informatie en de vragen worden zelfstandig gebracht/gesteld. Hulp van de examinator is niet nodig.
  • De lexicale variatie is groot genoeg om frequente letterlijke herhalingen te voorkomen. Lexicale hiaten en fouten komen hier en daar voor, maar verhinderen de begrijpelijkheid niet. Af en toe wordt er een synoniem gekozen dat minder goed past binnen de context.
  • Uitingen bevatten zowel eenvoudige als meer complexe grammaticale constructies en zinspatronen. Vaak voorkomende complexe constructies zijn meestal foutloos. Slechts zelden komt er een duidelijk aanwijsbare fout voor.
  • Structurerende elementen worden doorgaans correct gebruikt en ondersteunen de coherentie van de prestatie. Af en toe wordt er echter een structurerend element verkeerd gebruikt, vergeten (waardoor de prestatie inhoudelijke sprongen kan vertonen) of overgebruikt. Verwijswoorden worden meestal op juiste wijze gebruikt.
  • De uitspraak en intonatie zijn helder en natuurlijk, maar met een hoorbaar accent.
  • De vloeiendheid is goed, er zijn weinig merkbare of storende pauzes. Soms komen er aarzelingen voor bij het zoeken naar de juiste formuleringen. De taaluitingen, ook de langere, kennen een gelijkmatig tempo.
Naar boven

Gesprekken voeren

Op dit niveau worden de vaardigheden spreken en gesprekken voeren geïntegreerd met lezen in deel C getoetst.

Naar boven